Bemestingsadvies voor het telen van mais

Op deze pagina vind je praktisch bemestingsadvies voor de maisteelt. Je ontdekt hoe je de bemesting afstemt op de behoefte van het gewas, met aandacht voor opbrengst, stikstofbenutting en bodemomstandigheden.

Bemestingsadvies voor het telen van mais (Zea mays)

Stikstoftekort in mais
Vergeling van de bladeren duidt op zwaveltekort in mais

Mais  stelt specifieke eisen aan bodem en bemesting. Een goede afstemming van nutriënten draagt bij aan een stabiele opbrengst en een efficiënte stikstofbenutting.

  • Mais groeit het best op bodems met een pH tussen 6,0 en 7,2, maar ontwikkelt zich ook goed op kalkrijke gronden met een pH tot 8,5.
  •  Mais neemt relatief grote hoeveelheden kalium op. De periode van intensieve opname begint vanaf het zesde bladstadium (BBCH 16) en loopt door tot de kolf volledig is gevormd (BBCH 59).
  •  Op zandgrond bestaat de kans dat kalium uit de wortelzone uitspoelt. Een goede kaliumvoorziening helpt de plant beter om te gaan met droogtestress.
  •  Mais is een warmteminnend gewas en groeit het best bij temperaturen tussen 25 en 30°C. Bij lagere temperaturen verloopt de fotosynthese minder efficiënt, waardoor de groei en ontwikkeling van het gewas worden beperkt.

Nutriëntenbehoefte van mais

Mais heeft gedurende het groeiseizoen een continue behoefte aan nutriënten. De opname verschilt per groeistadium en is afhankelijk van bodemomstandigheden en opbrengstniveau.

NP2O5K2OMgSO3Ca
Kg/haKg/haKg/haKg/haKg/haKg/ha
Gemiddelde eenheidsopname in kg t -1 droog graan + stro20-3311-1428-37547

Tabel 1. Nutriëntenopname door korrelmais [Grzebisz, 2007]

mais groeistadia

Groeistadia van mais van kieming tot volledige ontwikkeling van de kolf

Dynamiek van de nutriëntenopname in de loop van een teeltseizoen

De opname van nutriënten in mais varieert gedurende het groeiseizoen. Vooral stikstof en kalium worden intensief opgenomen tijdens de snelle groeifase, wanneer het gewas zich sterk ontwikkelt.

Bron: aangepast overgenomen van Buchner and Sturm 1985 en UNIFA 2015; BBCH-schaal volgens Hack 1993.

Rol van nutriënten in de maisteelt

Verschillende nutriënten spelen een belangrijke rol in de groei, opbrengst en kwaliteit van mais. Een evenwichtige bemesting ondersteunt zowel de vegetatieve ontwikkeling als de korrelvorming.

Belangrijkste parameterNP2O5K2OMgOCaOSO3
Opbrengst++++++++
Aantal korrels in de kolf+++++++
Eiwitgehalte+++++++++
Vegetatieve groei+++++++++

 

 

Nutriënttekorten in mais herkennen

VoedingsstofBeschrijving
StikstofBladsymptomen: jongere bladeren verkleuren lichtgroen tot geel. De vergeling begint bij de onderste bladeren en breidt zich naar boven uit. In latere stadia kan een V-vormige vergeling ontstaan.
Effect: verminderde groei, dunne stengels en een lagere opbrengst door een minder volledige kolfontwikkeling.
FosfaatOorzaak: beperkte beschikbaarheid in koude, natte of verdichte bodems.
Bladsymptomen: donkergroene bladeren met paarse verkleuring.
Effect: vertraagde groei en rijping, lagere opbrengst.
KaliumOorzaak: onvoldoende beschikbaarheid of uitspoeling, vooral op lichtere gronden.
Bladsymptomen: chlorose langs de bladranden die overgaat in bruine necrose.
Effect: verminderde korrelontwikkeling en lagere opbrengst.
CalciumBladsymptomen: jonge bladeren vertonen lichte verkleuring of witte vlekken en kunnen vervormen.
Effect: groeistoornissen in jonge plantdelen.
MagnesiumBladsymptomen: vergeling tussen de nerven van oudere bladeren.
Effect: verminderde fotosynthese en groeireductie.
ZwavelBladsymptomen: geelverkleuring van jonge bladeren met duidelijke nerven.
Effect: verminderde vegetatieve groei en ontwikkeling.
BoriumBladsymptomen: necrotische vlekken en vervormde groei.
Effect: slechte kolfontwikkeling en lagere opbrengst.
KoperBladsymptomen: blauwgroene verkleuring van jonge bladeren, verwelking van oudere bladeren.
Effect: groeipunten kunnen afsterven, planten worden slap.
IJzerBladsymptomen: interveinale chlorose bij jonge bladeren terwijl nerven groen blijven.
Effect: groeivertraging en kleinere planten.
MangaanBladsymptomen: lichtgekleurde strepen tussen nerven, later necrose.
Effect: verminderde groei.
ZinkBladsymptomen: lichtgroene tot gele strepen langs de middennerf.
Effect: groeivertraging, vooral in vroege groeistadia.

 

 Wat betekent dit voor de praktijk?

Een goede afstemming van de bemesting op de behoefte van mais draagt bij aan een stabiele opbrengst en een efficiënte benutting van nutriënten. Door gebruik te maken van innovatieve meststoffen, zoals gecontroleerd vrijkomende producten, kan de stikstofbenutting verder worden verbeterd.

                 

Adviezen en artikelen

Veelgestelde vragen

Hier vind je antwoorden op veelgestelde vragen over bemesting en het telen van mais.

Kalium speelt een belangrijke rol bij de weerstand van mais tegen droogtestress. Dit nutriënt helpt de plant om de waterhuishouding te reguleren en efficiënter met vocht om te gaan.

Ook magnesium is van belang. Een voldoende magnesiumvoorziening draagt bij aan een betere fotosynthese en helpt het gewas om beter om te gaan met hoge temperaturen.

Bij de teelt van mais voor kuilvoer ligt de focus op een hoge biomassaopbrengst. Stikstof speelt hierbij een belangrijke rol, omdat het de vegetatieve groei stimuleert. Ook magnesium is van belang voor een efficiënte fotosynthese en een goede gewasontwikkeling.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met een hogere nutriëntenonttrekking dan bij korrelmais. Vooral kalium wordt in grotere hoeveelheden afgevoerd met het gewas.

Om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden, is het belangrijk om deze nutriënten via bemesting weer aan te vullen, met name binnen de gewasrotatie.

Zoals op de afbeelding te zien is, kan deze paarse verkleuring tijdelijk optreden bij jonge planten.

Een paarse verkleuring van jonge maisplanten wordt vaak geassocieerd met een fosfaattekort, maar dat is niet altijd het geval.

Bij sommige rassen is deze verkleuring een natuurlijke reactie op lage temperaturen tijdens de opkomst en vroege groei. Dit kan tijdelijk optreden en verdwijnt meestal vanzelf wanneer de temperatuur stijgt.

In dit geval is er geen sprake van een tekort aan voedingsstoffen, maar van een rasspecifieke eigenschap.

De waterbehoefte van mais is afhankelijk van de weersomstandigheden en de ontwikkeling van het gewas. Factoren zoals temperatuur, luchtvochtigheid en wind bepalen in grote mate de verdamping en daarmee de benodigde hoeveelheid water.

Naarmate de biomassa toeneemt, stijgt ook de waterbehoefte van het gewas.

Een gelijkmatige watertoevoer is belangrijk. Door water geleidelijk toe te dienen, kan het gewas optimaal gebruikmaken van het bodemvocht en wordt stress door overmatige watergift voorkomen.

Onze aanbevelingen:

Agromaster®

Geleidelijke afgifte voor gelijkmatige groei

37-0-0+0.2B | 2-3M

37-0-0
+TE

Bekijk product

Agromaster®

Geleidelijke afgifte voor gelijkmatige groei

30-5-0+0.2 B | 2-3M

30-5-0
+TE

Bekijk product

ICL PotashpluS

Polysulphate en kaliumchloride in één korrel, het beste van twee werelden

ICL PotashpluS

0-0-37
+TE

Bekijk product